Lisdodde als ruwvoer

In september is de tweede snede van het lisdodde proefveld van KTC Zegveld geoogst en ingekuild. Het verse product is met een maishakselaar gehakseld en na toevoeging van melasse in een rijkuil gereden. Vanaf november wordt de kuil gevoerd aan melkkoeien van KTC Zegveld en wordt gekeken naar o.a. effecten op melkproductie en rantsoenvertering. 

 

Het perceel was in mei van dit jaar voor het eerst gemaaid, net voordat de planten zichtbaar in bloei schoten. Net als bij gras is de voederwaarde van lisdodde hoger voor de bloeiperiode. De hergroei van mei tot september leverde ook geen bloeiende planten meer op, wat gunstig voor de voederwaarde is. In 2017 leverde de september snede van hetzelfde perceel een kuil op met een eiwitgehalte van circa 11%.

De lisdodde is ‘nat’ ingekuild, omdat drogen in een nabijgelegen veld een extra logistieke stap zou zijn. Er is melasse aan de kuil toegevoegd, omdat lisdodde nagenoeg geen suiker bevat. De suikers uit de melasse worden tijdens de conservering door bacteriën omgezet in organische zuren, wat zorgt voor een pH daling waardoor de kuil langer te bewaren is. Uit eerdere inkuilproeven is gebleken dat verse lisdodde met toegevoegde melasse tot een stabiele kuil kan leiden.

Uit verschillende proeven met droge koeien op KTC Zegveld is gebleken dat lisdodde zowel vers als ingekuild wordt opgenomen en dat het een ruw eiwit gehalte heeft van 11-12% mits het gewas niet gebloeid heeft. In een proef met droge koeien kon lisdodde tot ongeveer een kwart van het rantsoen worden opgenomen, waarbij de koeien wel in totaal bijna 5% minder voer opnamen ten opzichte van een volledig kuilgras rantsoen. De verteerbaarheid van het rantsoen na het toevoegen van lisdodde bleef goed op peil.

Voor meer informatie over onderzoek naar lisdodde als veevoer, neem contact op met Jeroen Pijlman (Louis Bolk Instituut), via [email protected]