Biodiversiteit: uitdagingen en kansen

In ‘paludicultuur’ staan natuurdoelen centraal en in ‘natte teelten’ ligt de focus meer op agrarische productie. In Veen, Voer en Verder ligt de focus op agrarische productie, namelijk toepassing op veengrond ten behoeve van de melkveehouderij, maar nemen we ook natuuraspecten mee. Bijvoorbeeld het stuifmeel van lisdodde trekt insecten aan (biodiversiteit) maar kan ook een bijdrage leveren in het verdienmodel. Zowel de agrarische als de natuurbenadering biedt kansen voor melkveehouders, beheerders van natuurterreinen en waterbeheerders.

De meest eenvoudige definitie van biodiversiteit is soortenrijkdom in de vorm van planten, dieren en micro-organismen. Vanuit het perspectief van natuur geldt al gauw ‘hoe meer soorten, hoe biodiverser, hoe beter’, tenzij er sprake is van exoten die inheemse soorten verdringen. Vanuit agrarisch perspectief kan de aanwezigheid van bepaalde soorten een keerzijde hebben, bijvoorbeeld als dieren van het gewas eten, holen graven in oevers of er tijdens het broedseizoen geen werkzaamheden kunnen plaatsvinden.

In de proefvelden van KTC Zegveld zien we o.a. kikkers, grote waterkevers, dwergmuizen, meerkoeten, zwanen, eenden en nog veel meer. Voor wat betreft de meerkoeten en eenden, hebben we de indruk dat ze jonge planten eten. We geven ze voorlopig het voordeel van de twijfel. Door niet actief te verjagen, maar wildcamera’s in te zetten, monitoren we of ze inderdaad schade veroorzaken en of dat zich herstelt. Op natte proefvelden elders merkten we dat ganzen de net ingeplante wilgjes uit de grond getrokken hadden. Of dat er vlak voor het begin van het broedseizoen kraanvogels gesignaleerd werden, waardoor we niet bij de percelen mochten komen.

Ook zien we andere plantensoorten tussen de natte teelten verschijnen, bijvoorbeeld gras als het niet gelukt is om het waterpeil continu hoog genoeg te houden. Of juist water(minnende) planten zoals liesgras, mannagras en waterweegbree. Het ‘probleem’ met sommige van deze plantensoorten is, dat ze lijken op de gewassen die we juist willen kweken (mannagras en wilde rijst; waterweegbree en pijlkruid). Deze plantensoorten moesten dus eerst groter worden om het onderscheid goed te kunnen maken met de gewenste gewassen. Ondertussen waren ze dan al aan het concurreren met de gewenste gewassen.

Bloeiende lisdodde trekt andere bloem bezoekende insecten aan in vergelijking met grasland, het oorspronkelijke gewas: meer biodiversiteit dus. Lisdodden stuifmeel als insectenvoeding kan ook onderdeel gemaakt worden van het verdienmodel. Zo is lisdodde stuifmeel essentiële voeding voor roofmijten die gekweekt en verkocht worden als natuurlijke plaagbestrijders, zoals vorig jaar gedaan is. Vlak voor het loslaten van het stuifmeel werden windschermen om het perceel geplaatst en werd m.b.v. een soort ‘stofzuigers’ het stuifmeel opgezogen. Met het verkopen van stuifmeel kun je jaarlijks een bedrag in de orde van grootte van € 3750 per hectare verdienen. Lisdodden laten bloeien betekent echter dat er pas na de bloei gemaaid kan worden en dat heeft invloed op het eiwit- en ruwe celstofgehalte in het ‘gewas’ en dus op geschiktheid als voer of als strooisel.

Een nieuwe mogelijke teelt is wilde rijst. Voordat we wilde rijst zaden importeerden, hebben we onderzocht of er kans was dat die soort zich ongewild zou verspreiden en een plaag vormen. We vonden geen aanwijzingen dat dat in het Nederlandse veenweidegebied zou kunnen gebeuren en nu blijkt ook dat het maar de vraag is of de planten in het Nederlandse klimaat willen groeien en zaad vormen.

Kortom, rondom biodiversiteit in paludicultuur en natte teelten gaat er een wereld open. We proberen te adresseren wat we tegenkomen: leuke aanwinst of potentieel schadelijk, kostenpost of onderdeel van het verdienmodel, hoe voorkomen we dat zij last hebben van ons of wij van hun?

Voor meer informatie over biodiversiteit en natte teelten, neem contact op met Monique Bestman (Louis Bolk Instituut), via [email protected]