Op weg naar een lisdoddeketen

De Lisdoddeteelt is nu een aantal jaar in ontwikkeling. We zijn er nog niet: want de teelt is één vraagstuk, de afzet een andere bouwsteen. Ontwikkeling van deze keten vraagt aandacht en tijd. Een proces van ‘trial and error’ waarbij meer partijen betrokken zijn. Er zijn tegenvallers en afhankelijkheden of er ontstaan nieuwe vragen. Goede onderlinge afstemming, doorzettingsvermogen en bereidheid om te leren zijn belangrijke voorwaarden voor dit gezamenlijke ontwikkeltraject. 

Plaatmateriaal van lisdodde
We verwerken lisdodde op dit moment op twee manieren tot een product. Typhaboard is het eerste product: hierbij wordt een mengsel van lisdodde en mineralen onder hoge druk samengeperst tot plaatmateriaal. De Mycelium plaat is een tweede product. Hierbij worden lisdoddevezels biologisch gebonden met schimmeldraden van paddenstoelen. Om de paddenstoelen goed te laten groeien, moet de lisdodden met hennep worden gemengd. De platen uit dit productieproces zijn nog van wisselende kwaliteit en er zijn nog een aantal vragen over de duurzaamheid van het proces.

Leerproces
Massaproductie zit er voorlopig dus nog niet in. Maar het ontwikkelproces levert essentiële informatie voor de teelt. Zo leerden we bijvoorbeeld dat dat het moment van oogsten heel belangrijk is voor de kwaliteit van het product. In juli oogsten levert een gewas met meer eiwit en in januari oogsten levert meer vezels. De toepassing bepaalt dus het oogstmoment. Samen met de productontwikkelaars zijn we nu op zoek naar het optimale oogstmoment – dat overigens per product verschillend is.

Opschaling
Tegelijk met de productontwikkeling ontstaat de vraag naar opschaling en de daaraan gekoppelde randvoorwaarden. Kunnen we in de zomer genoeg water aanvoeren om bijvoorbeeld 10 hectare lisdodden of andere teelten nat te houden? En wat betekent dergelijke teelt voor biodiversiteit en landschap? Welke stappen zijn nodig om van een lokaal experiment naar grootschalige toepassing te gaan? We werken daarin samen met andere gebieden waar geëxperimenteerd wordt met lisdoddeteelt. Daar spelen weer andere zaken, zoals ganzen die de lisdodden opeten. Het gaat allemaal nog niet vanzelf met de lisdodden. Daarin kunnen we veel leren van een ontwikkeling als maisteelt in Nederland.

Leren van de mais-pioniers
De maisteelt, een innovatie van Twentse boeren in de In de jaren ’50 en ’60, lukte aanvankelijk ook maar matig. Een paar slechte zomers hielpen ook niet en mais verdween bijna uit Europa. De overheid richtte in 1953 zelfs een stichting voor de bevordering van de maisteelt op. Er kwamen ‘maïskernen’, waarvan de leden zich verplichtten om gedurende twee jaren maïs te telen. In deze kernen werd veel praktische kennis verzameld en gedeeld. Het keerpunt kwam met de ontwikkeling van snijmais in plaats van korrelmais. Een traject waaruit we een aantal lessen meenemen: niet snel opgeven en blijven zoeken naar nieuwe toepassingen.

Heeft u tips, ideeën of vragen over de ontwikkeling van natte teelten? Stuur dan een bericht naar Roelof Westerhof via [email protected]