Programmaraad VIC bezoekt Ilperveld

Op 30 april is de programmaraad van het Veenweiden Innovatiecentrum Zegveld op bezoek geweest bij het Noord-Hollands Landschap in Ilperveld. Doel van het bezoek was het bekijken van het experiment met veengroei “Omhoog met het veen”. Onderzoeker Bas van de Riet van Landschap Noord-Holland gaf een toelichting en liet de leden van de programmaraad het experiment achter het bezoekerscentrum in Ilperveld zien. Het experiment is gericht op veenmosgroei en het op gang brengen van veenvorming als natuurontwikkeling. De programmaraad ging het om de mogelijkheid van veenmosteelt als vorm van landbouw. Dat zou passen in een nieuw VIC-icoon: Aquatische landbouw. Daarom ging Bas van de Riet ook in op de mogelijkheden van commerciële veenmosteelt en teelt van lisdodde. Joke Stoop, werkzaam bij het VIC, presenteerde de eerste bevindingen van haar zoektocht naar kansrijke vormen van aquatische landbouw, zoals visteelt.

Bij het experiment dat vorig jaar is gestart worden vergelijkingen gemaakt tussen “enten” met veenmosbeads en stekken van veenmostoppen, met of zonder riet, diep en ondiep afplaggen en het effect van stikstofdepositie door deels folieschermen te gebruiken. Dat laatste is ook interessant voor de Programmatische Aanpak Stikstof. Bij het experiment worden ook de emissie van methaan en CO2 gemeten. Uit de praktijk blijkt dat het peilbeheer heel nauw luistert. Extra lastig op een veenbodem, want er waren duidelijk hoogteverschillen te zien op de afgeplagde veenbodem, terwijl er toch echt vlak was afgeplagd. Het gevolg van kleine verschillen in de samenstelling van het veen en de mate van zwel na het verwijderen van de toplaag. Veen is toch echt anders dan klei of zand. Maar ondanks de hoogteverschillen en knelpunten als accumulatie van meststoffen, structuurverlies (veraarding) en de beperkte ontgravingsdiepte was de veenmosgroei toch echt op gang gekomen. Met de veenmosgroei en het op gang brengen van veenvorming kunnen ook een aantal ecosysteemdiensten worden geleverd zoals vastlegging van koolstof en nutriënten en sponswerking.

Met veenmos als commerciële teelt wordt in Duitsland ervaring opgedaan. Daar zijn onder begeleiding van de Universiteit Greifswald veenmosakkers aangelegd op een plek waar eerst veenweide was: Sphagnum-farming. Het veenmos is grondstof voor onder andere orchideëensubstraat, turfsubstituut en bio-potgrond en wordt in de bloemisterij gebruikt: deels hoogwaardige toepassingen. De teelt levert ook meervoudige klimaatwinst: geen bodemdaling, geen afgraven fossiel veen, minder transport). Joke Stoop vulde aan dat sommige soorten veenmos met behulp van bacteriën methaan afvangen of medicinale toepassingen kunnen hebben. Het veenmos groeit 5 cm per jaar. De programmaraad constateerde wel dat veenmosteelt een gevoelige teelt is en vraagt om een investering die niet makkelijk terug te draaien is. Datzelfde geldt voor lisdodde, met als voordeel dat lisdodde (een heel goed materiaal voor geluids- en warmteisolatie, als alternatief voor steenwol) onder voedselrijke omstandigheden kan groeien en bestand is tegen peilfluctuaties. Visteelt in sloten heeft als groot voordeel dat het naast melkveehouderij kan. Er blijkt een behoorlijke vraag te zijn naar allerlei soorten vis, zowel voor de sportvisserij als consumptie. Het bleek dat er voor sommige soorten die in Nederland niet gegeten worden in andere landen een grote markt is. Er zijn al meerdere boeren gevonden die met een of andere vorm van visteelt aan de gang willen en er zijn ook al afzetkanalen gevonden. De tijd lijkt rijp voor pilots.

Tijdens de excursie en in de discussie aan het eind kwamen er verschillende vragen en suggesties. Een meerdere keren gehoorde suggestie was het pleidooi voor nieuwe gemengde bedrijven, met naast melkveehouderij dit soort teelten. Dat vergroot de mogelijkheden om reststromen te gebruiken en kringlopen binnen en buiten het bedrijf te sluiten. Voor land dat voor melkveehouderij minder geschikt is of wordt heb je dan een alternatief..
Er werd ook gevraagd of er al niet eerder aan visteelt is gedacht en waar dat op stuk liep. De Top 3 van belemmeringen: 1. Draagvlak (bij waterschappen en natuurorganisaties), 2. Hoe lonend is het? Prijzen vis fluctueren. 3. De institutionele belemmering: Ondernemers in vis kijken de andere kant op, niet naar boeren en andersom kent ook de boer de visser niet. De programmaraad suggereerde dat daarom in de communicatie vooral ook op de voordelen van visteelt of ander teelten gewezen moet worden, ook voor bijvoorbeeld waterbeheerders. Want voor iedere partij kunnen er weer andere voordelen zijn. Ook moet je problemen oplossen in voorbeeldsituaties, dus aan de hand van pilots. Niet meteen de discussie in de volle breedte want dan loop je vast. De concrete voorbeelden moeten de instituten overtuigen. Bij nieuwe markten is de stad belangrijk, zowel voor de producten als een aantrekkelijk landschap. Dat het product hier gemaakt is moet een rol spelen, want het kan al gauw in andere landen goedkoper geproduceerd.

De programmaraad steunt doorgaan met vis en aquatische landbouw. Andere takken spreekt aan als het boer blijven in het Groene Hart maar mogelijk blijft. Bij veenmos is er ook voor Zegveld een niche (economie), maar het is goed om wat er in Ilperveld gebeurt te volgen. Vis is wel dichterbij dan veenmosteelt. En veenmosteelt lijkt kwetsbaarder. Insteek is meer diversiteit; er is in het veengebied altijd verandering geweest.

Contactpersoon Aquatische Landbouw: Frank Lenssinck | [email protected]