Bericht

Eindrapportage Lisdodde: lobby voor de markt is geslaagd, maar nu de teelt nog

Onderzoeker Jeroen Pijlman: ,,We zitten vast op de teeltkant. En daar liggen nu de uitdagingen.’’

Dat blijkt uit de eindrapportage Veen Voer en Verder II, een driejarig onderzoek naar de teelt van lisdodde. De resultaten leveren nog geen haalbaar verdienmodel op voor boeren die in de veenweidegebieden zoeken naar nieuwe verdienmodellen vanwege de klimaatopgave voor de veenweiden – 1 megaton reductie van broeikasgassen in 2030.

Het onderzoek is uitgevoerd door het Veenweiden Innovatie Centrum (VIC Zegveld), het Kennis Transfer Centrum (KTC Zegveld) en het Louis Bolk Instituut. En er is inmiddels een landelijk vervolgtraject gestart gecoördineerd door onderzoeker Pijlman, van het Louis Bolk Instituut. Pijlman is tevens medeverantwoordelijk voor de rapportage van het lisdodde onderzoek op Zegveld. Genoeg reden voor een gesprek.

Wat heeft u onderzocht? 
Het onderzoek naar de lisdoddeteelt richtte zich op een tiental thema’s. Het verminderen van broeikasgassen, de productie en de persistentie van de teelt. Ook is er gekeken naar de zaaimogelijkheden en het nutriëntenvraagstuk. Het gewas heeft veel voeding nodig (stikstof) en een vraag was of je het gewas met waterdoorstroming kunt bemesten. Een ander belangrijk aspect in het onderzoek was de watervraag. Heeft het gewas meer water nodig dan het grasland? Ook was een vraag hoe de draagkracht van de bodem is bij lisdodde. In Oost-Europa wordt lisdodde geoogst in strengere winters, waarbij oogstmachines over het ijs rijden. Dus zijn er ook zaken uitgezocht rond de bodem en draagkracht.
 
Wat zijn de conclusies?

,,Het is een beetje onbevredigend, maar we zijn er niet achtergekomen hoe je gegarandeerd goed kunt inzaaien. Dat is nog een uitdaging. We hebben geen succesfactoren kunnen meten. Dat blijft een open einde. Aanplanten kan, maar is kostbaar. Een kweekplantje kost zo’n 40 cent bij de kweker. Ook bleek te plant gevoelig voor een wisselend waterpeil tussen 20 cm onder het maaiveld en 5 cm erboven. De plant kan verdwijnen na een paar jaar als het te vaak te droog is. Wel laat literatuurstudie zien dat de watervraag gelijk is dan gras.‘’ Hij heeft het even opgezocht: ,,De watervraag is 4 tot 12 mm per dag.’’
 
Pijlman vervolgt: ,,Lastig voor een boer is dat je niet zomaar een perceel omhoog kan zetten zonder investeringen te doen in het watersysteem. Je moet het organiseren. Een stuk land kunnen afsluiten van de grasvelden en met oppervlaktewater die hogere peilen kunnen realiseren. Of de teelt organiseren op percelen die nu al te nat zijn voor gras, vaak aan randen van polders. Proeven met doorstroming van water leverde weinig op in de groei, omdat het water in Zegveld te schoon was. Daarom herhalen we deze proef op locaties met viezer water’’, zegt ie lachend.
 
,,Lisdodde is geen zodevormend gewas – in slappe bodems is het kwetsbaar voor rijschade bij het oogsten. Bij het onderwater zetten van bodems kun je baggervorming krijgen. Daar hadden we op het afgeplagde veld achter de boerderij ook last van. Daar was de draagkracht te laag om te kunnen oogsten zonder schade aan de planten en de bodem. Op een ander veld speelde dat weer minder. En de uitstoot van het broeikasgas methaan was in het proefveld met baggervorming hoog, in vergelijking met andere pilots in het land. Het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) onderzoekt het lisdoddeveld op de uitstoot van methaan.‘’

 

Om de koe bij de horens te pakken. Kan de teelt van lisdodde voor biobased productie een serieus bedrijfsonderdeel worden voor boeren?
,,Het is nog te vroeg om harde conclusies te trekken, we zitten in pioniersfase. De afzetkant is positief, de lobby is goed, maar we moeten wat met de teeltkant.”

U heeft het over pionieren, maar sterft de lisdoddeteelt niet in een schone belofte?
,,Er zijn legio toepassingen te verzinnen, naast isolatiemateriaal voor in de bouw kun je er ook lampenkappen van maken en als je die kunt wegzetten bij IKEA, dan is het niet aan te slepen…Realistischer is dat de teelt voorlopig niet grootschalig van de grond komt. De resultaten uit het onderzoek laten dat niet zien. Er zijn nog veel vragen.’’

 

Het ergste was dat het lisdoddeveld in Zegveld niet goed geoogst kon worden. Wat ging er mis?
,,De draagkracht was te slecht voor zelfs de lichtste rupsvoertuigen. Je ziet in andere pilots dat Zegveld een uitzondering is, maar dan nog: je beschadigt de plantwortels.’’

Hardop denkt Pijlman na over een systeem van dijken – waar je dan met machines over heen kan rijden. Hij gelooft daar zelf niet meteen in, maar benadrukt wel het verschil van de bodems in de veenweidegebieden. Zegveld is veen, maar er zijn ook veengebieden met meer klei in de bodem. Dat is iets om rekening mee te houden.’’

 

Hoe ziet het vervolgtraject van het Veenweiden Innovatieprogramma Nederland (VIPNL) eruit
,,In het zogenoemde VIPNL natte teelten – het landelijke Veenweidenonderzoek – zetten we in op verbreding. We doen dat met een tiental onderzoekers en een marketingbureau, gespecialiseerd in toepassingen van biobased producten. Er komt dit jaar nog een afwegingskader waarin we een tiental grassoorten – denk aan rietgras en tropisch pijlriet, maar ook het gewas micanthus gaan beoordelen voor verder onderzoek. We gaan letterlijk plussen en minnen. Hoe goed is een gewas te telen op veen, wat betekent het voor ecologie en is er een markt voor de biomassa. Ook werken we samen met het NOBV over de go’s en no go’s voor broeikasgassen.’’

 

Moeten boeren dit willen in de toekomst?
,,Met de kennis van nu is er geen natteteelt gewas dat een haalbaar verdienmodel geeft. De komende vier jaar moet echt duidelijk maken met welke gewas het kan en, hoe we die teelt kunnen inrichten.’’ Pijlman vervolgt: ,,Het ingewikkelde met de lisdodde is dat het verdienmodel uiteindelijk zal bestaan uit ecosysteem vergoedingen, zoals het verminderen van de CO2 uitstoot of verliezen van water. Daarnaast heb je de biomassa opbrengst.

Lisdodde heeft bijvoorbeeld een waterzuiverende capaciteit dus ook de waterschappen zouden kunnen helpen met lagere waterschapslasten. Je kan telen voor 4 a 5 ton droge stof opbrengst. Dan heb je ruimte voor fluctuerende peilen, en de biodiversiteit neemt toe, andere planten kunnen er doorheen groeien. En ga je naar 10 ton droge stof of meer dan moet je optimaliseren naar een monocultuur, waarbij je het waterpeil boven het maaiveld houdt. De bodemdaling is wel opgelost, maar er is minder ruimte voor biodiversiteit, en je moet die voedingsstoffen aan zien te voeren, wat weer lastig is voor de waterkwaliteit.’’

 

Dat zijn toch een hoop mitsen en maren…
Wat ik belangrijk vind is dat we genuanceerd tot een gezamenlijk standpunt komen. Ik probeer de welles nietes discussie te vermijden. Ja, er zijn vragen en twijfels… Ik vind wel dat we kritisch en objectief moeten blijven. We hebben veel uitgezocht, maar hebben nog niet alle antwoorden om te stellen dat lisdoddeteelt breed haalbaar is in de veenweiden, of dat het bij kleinschalig pionieren blijft! Ik denk dat we zo eerlijk moeten zijn.’’
De rapportage is te vinden op http://louisbolk.nl/publicaties/eindrapportage-veen-voer-en-verder-ii